Het paradijs verloren: Boek III - Wikisource

Het paradijs verloren: Boek III

Auteur John Milton
Genre(s) Poëzie
Brontaal Engels
Datering 1674 (tweede editie)
Vertaling 2022
Vertaler Jules Grandgagnage
Bron Vertaalde gedichten: Paradise Lost Boek III]
Auteursrecht CC-BY-SA
Logo Wikipedia
Meer over Het paradijs verloren: Boek III op Wikipedia
Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Het paradijs verloren: Boek III (1674)

Paradise Lost Book III van John Milton
naar het Nederlands vertaald door Jules Grandgagnage (2022)


Tekstverantwoording: voor de Engelse tekst werd gebruikgemaakt van de tekst op de Engelse Wikisource.

Creative Commons License
Creative Commons Attribution icon
Deze vertaling heeft de licentie Creative Commons Naamsvermelding 3.0;. In het kort: het staat u vrij de tekst te gebruiken en te verspreiden, onder voorwaarde dat u de naam vermeldt van de auteur/vertaler ("Jules Grandgagnage").


ONDERWERP DERDE BOEK ('The Argument')

God, gezeten op Zijn troon, ziet Satan op deze wereld afvliegen, die Hij pas geschapen heeft. Hij toont hem aan zijn Zoon die aan Zijn rechterhand zit en voorspelt het succes van Satan in het verderven van de mensheid. Hij zuivert Zijn eigen Gerechtigheid en Wijsheid van alle blaam, omdat Hij de mens vrij en bekwaam genoeg heeft geschapen om zijn verleider te weerstaan; toch verklaart Hij Zijn voornemen genade aan de mens te schenken, omdat hij niet uit eigen kwaadwilligheid is gevallen, zoals Satan, maar door hem verleid is. De Zoon van God prijst Zijn Vader voor de openbaring van Zijn genadige bedoeling met de mens; maar God verklaart opnieuw, dat Genade niet kan worden verleend aan de mens zonder de voldoening van Goddelijke rechtvaardigheid; de mens heeft de majesteit van God beledigd door goddelijkheid na te streven. Daarom moet hij met heel zijn nageslacht, gewijd aan de dood, sterven, tenzij iemand kan worden gevonden die bereid is om in zijn plaats deze straf te ondergaan. De Zoon van God biedt zichzelf vrijwillig aan als zoenoffer voor de mens. De Vader aanvaardt dit, verordent zijn incarnatie, spreekt zijn verhevenheid uit boven alle Namen in Hemel en Aarde; beveelt alle Engelen om zijn zoon te aanbidden. Zij gehoorzamen, en zingen op hun harpen in koor de lof van zowel de Vader als de Zoon. Intussen is Satan neergestreken op de kale bol van de buitenste sfeer van de wereld, waar hij dwalend een plaats vindt die sindsdien het voorgeborchte van de ijdelheid wordt genoemd en waar personen en dingen heen vliegen. Satan komt dan bij de Hemelpoort, die wordt beschreven als opstijgend naar de sterren, en de wateren boven het Firmament die eromheen stromen: Hij gaat vandaar naar de sfeer van de Zon; hij vindt daar Uriël, de Regent van die sfeer, maar verandert eerst zichzelf in de gedaante van een lagere Engel en doet alsof hij de nieuwe Schepping en Mens wil zien die God hier heeft neergezet. Satan vraagt aan Uriël hem de weg te wijzen naar de plaats waar de mens woont, en wordt ernaartoe geleid; hij landt eerst op de berg Niphates.[1]

HET PARADIJS VERLOREN

Nederlandse vertaling door Jules Grandgagnage (2022)

BOEK III

Heil, Heilig Licht, Hemels eerstgeborene,
of mede uit de eeuwige straal ontsproten:
Mag ik me zo uitdrukken zonder blaam?
Is God immers geen Licht en woonde Hij
niet steeds in ongenaakbaar eeuwig licht,
in U, Helder Schijnsel van het Ongeschapene?
Of verkiest U de naam Zuivere stroom,
van oorsprong onbekend? Nog voor de Zon,
nog voor de hemel bestond U; Op Gods bevel[2]
bekleedde U de jonge wereld (van donkere
diepe wateren aan 't onbegrensd
en vormloos Niets ontrukt) als met een mantel.
U zie ik nu weer, met bouder vleugelslag,
de poel van Styx ontvloden, maar lang gekerkerd[3]
in dat duister krocht; En op mijn vlucht
door diepste en mindere duisternis gedragen,
bezong ik Chaos en de eeuwige nacht[4]
met andere tonen dan Orpheus' lier;
De hemelmuze hielp me bij het dalen[5]
naar de hel en bij het weder klimmen,
hoe zwaar ook die beproeving; Veiliger nu
bezoek ik u —en voel opnieuw uw levenslamp—
met ogen die niet meer dezelfde zijn,[6]
en vruchteloos zoekend naar uw indringende straal
geen dageraad meer vinden, door de schemerige
sluier van zwarte staar bedekt. Nochtans
belet dit me niet te dwalen waar Muzen zijn
en het verheven gezang rond klare bron,
lommerbos of zonbestraalde heuvel;
Maar U vooral, O, Sion, bezoek ik 's nachts,[7]
en de bloemomzoomde beken die uw
voet kabbelend bevloeien: niet zelden denk ik
aan die twee wier lot ook 't mijne is:
(kon ik in faam maar hun gelijke zijn!)
Thamyris en Homerus, beiden blind,[8]
en d' oude profeten Tiresias en Phineus;[9][10]
Dan vullen harmonische ritmes mijn hoofd, zoals
de nachtegaal die in het donker zingt
en verborgen in het schaduwlover
zijn nachtelijk lied ten gehore brengt.
Zo keren de seizoenen jaarlijks terug;
Geen dag voor mij, geen zoete nadering
van ochtend of avond, geen aanblik van lentebloesem
zomerroos, kuddes of hemels mensengezicht;
Alleen maar wolken en eeuwigdurend duister
omgeeft mij, van menselijk vertier beroofd,
Het Boek der Schepping voor mij onleesbaar gemaakt[11]
als een lege bladzij waar kennis en werking
der natuur werden gewist zodat
die poort naar wijsheid voor mij gesloten blijft.
Schijn des te meer naar binnen, Hemels licht,
doorstraal mijn geest, versterk al zijn gaven
en plant daar ogen die de mist verdrijven
zodat ik zien en spreken kan van dingen
die voor een sterveling onzichtbaar zijn.
Hoog verheven boven alle hoogten
op de troon van zijn zuiver Rijk,
wierp d' Almachtige Vader een blik omlaag
naar Zijn Werken en hun eigen maaksels;
Omringd door alle heiligen van de hemel,
zo talrijk als de sterren, zat Hij, en zag
schoonheid die niet in woorden te vatten was;
Aan zijn rechterzijde zat zijn stralend[12]
evenbeeld, zijn enige zoon; Op Aarde
zag hij eerst ons eerste ouderpaar,
de enige twee mensen in 't zalig Hof
geplaatst, oogstten eeuwige vreugde en liefde,
vreugde die blijft en onbenijde liefde
in zalige eenzaamheid; Daarna beschouwde
Hij hel en afgrond, en hoe Satan in grauwe
lucht aan deze zijde van de nacht[13]
langs de hemelmuren vloog, klaar om
met moeë vlerk maar willige tred te dalen
naar de ruige rand van deze wereld,[14]
vast land gelijkend zonder firmament,
zij het door zee, zij het door lucht omringd.
God zag vanuit de hoogte aan wat was,
wat is en wat zal zijn, en sprak voorzienig
zijn enige zoon met deze woorden aan:

Eniggeboren zoon, zie je hoe drift
onze tegenstander vervoert? Noch grenspaal,
noch alle grendels van de hel, noch ketens
die hem moesten binden weerhouden hem,
zelfs niet de grote afgrond; zo vastberaden
lijkt hij op wraak gericht, die zal neerkomen
op zijn eigen rebelse hoofd. En thans,
na elke hindernis te hebben overwonnen,
richt hij in 't voorhof van het Licht nabij
de hemel zijn vleugels naar de nieuwe wereld
om de mens die daar verblijft met kracht
of list te dwingen zijn zaligheid op te geven;
en dat zal hij doen, want de mens
is gevoelig voor zijn vleierij
en overtreedt lichtzinnig 't enig gebod[15]
en enig pand van zijn gehoorzaamheid.
Zo valt hij met zijn trouweloos geslacht;
Wie draagt de schuld? Wie anders dan hijzelf,
d' ondankbare, die alles van mij kreeg!
Ik schiep hem recht en goed: hij had de keuze
net als al mijn hemelse krachten en geesten
te vallen of te staan; uit vrije wil
weerstond de een terwijl de ander viel.
Indien onvrij, welk oprecht bewijs
is er van echte trouw, geloof en liefde,
als niet de wil maar nooddwang alles stuurt?
Wat is het loon voor zulke dienstigheid?
En welk genoegen verdient een slaaf eraan
als wil en rede (kiezen volgt uit redeneren)
nutteloos, ijdel, en beide van vrijheid beroofd
niet mij, maar passief de noodzaak dienen?
Zij werden dus, zoals rechtvaardig is,
zo geschapen, en kunnen bijgevolg
hun Maker niet met recht beschuldigen,
of hun schepping of hun lot, alsof
voorbeschiktheid hun wil bij wet regeert
of zij zelf door voorkennis eigen
rebellie gelastten, niet ik; Voorzag ik,
dan had dit op hun misdrijf geen enkel effect,
dat zij ook zonder zeker hadden begaan.
Dus zonder dwang of schaduw van het lot,
of iets door mij onwrikbaar en eeuwig voorzien,
zondigen zij zelf, als enige daders
in wat zij oordelen en kiezen; want zo
maakte ik ze vrij, en vrij moeten ze blijven,
tot zij zichzelf tot slaven maken, want anders
moet ik hun aard veranderen, en 't hoog
besluit herroepen dat hun vrijheid gebood:
zijzelf geboden hun val. Door eigen drift
gedreven viel de eerste soort, zelf-verleid
en zelf-ontaard: De mens, door anderen
misleid, ontvangt mijn gratie. De ander niet:
Zo straalt, in genade en recht, in de
hemel en op aard mijn heerlijkheid;
Maar eerst en laatst straalt mijn barmhartigheid.

Een ambrozijngeur vulde de hemel terwijl[16]
God sprak, en uitverkoren geesten werden[17]
doordrongen van onuitsprekelijke vreugde:
Zij ontwaarden Gods zoon, onvergelijkbaar
in heerlijkheid waarin de schoonheid van
zijn vader werd weerspiegeld; Uit zijn gelaat
gevormd door goddelijk mededogen, sprak
eeuwige liefde, genade zonder maat;
Dit openbarend, sprak hij zijn vader toe.

O, Vader, hoe genadig was het woord
dat uw vorstelijk oordeel afsloot; dat mensen
gratie kunnen vinden; daarvoor prijzen
hemel en aarde u hooglijk met ontelbare
vrome hymnen en gezangen, die uw
godstroon bejubelen tot in de eeuwigheid.
Hoe zou de mens voorgoed verloren zijn,
uw schepsel, laatst nog zo bemind, hoe zou
uw jongste telg door bedrog en eigen
dwaasheid vallen? Verre zij dit van U,
ver van u, vader, die enkel rechtvaardig
oordeelt over alle schepsels. Of zal
die vijand zo zijn doel bereiken en dwarsboomt
hij uw plan? Zal hij zijn hoogste kwaad
vervullen en uw goedheid tot niets herleiden;
Of keert hij trots terug naar de hel, zwaarder
gestraft, doch met gestilde wraak, met in
zijn zog de ganse mensheid, door hem verdorven?
Of is het uw wil om hem te behagen en zelf
uw hele schepping ongedaan te maken;
voor hem te vernielen wat u voor eigen glorie
hebt gemaakt? Zo werpt u twijfel en spot
op eigen goedheid en grootsheid zonder verweer.

De grote Schepper antwoordde hem aldus:
O, zoon, die mijn ziel in vreugde verheft,
zoon van mijn hart, zoon die alleen bent.
Mijn woord, mijn wijsheid en mijn macht, jij sprak[18]
geheel zoals ik dacht, geheel zoals
mijn eeuwig plan het heeft bepaald; De mens
zal niet geheel verloren zijn; hij wordt
gered wie 't wenst, niet door eigen wil,
maar door mijn vrijelijk verleende genade;
Nog eenmaal herstel ik zijn vervallen kracht,
hoewel door zondige begeerten gekluisterd;
Nog eenmaal zal hij, ondersteund door mij,
zijn dodelijke vijand op gelijke
grond bestrijden, opdat hij weten zou
hoe broos zijn gevallen toestand is,
en hoezeer hij zijn Verlossing dankt
aan mij, en mij alleen. Sommigen
heb ik uitverkoren. Het is mijn Wil;
De rest zal horen als ik hen roep en waarschuw
voor hun zondige staat, en hoe mijn toorn
op tijd te stillen door om genade te smeken;
Want ik breng licht in hun duistere zinnen,
verzacht hun stenen harten met gebed
en berouw tot zij zich onderwerpen.
Voor oprecht gebed, berouw en ootmoed
blijft mijn oor niet doof, noch zal mijn oog
gesloten blijven; In hen zal ik als gids
mijn scheidsrechter Geweten planten, die,
als ze ernaar luisteren, hen licht
na licht doet vinden en, goed besteed
en vast van koers, voert naar een veilig einde.
Maar mijn genade en lijdzaam dulden zal hij
die mij versmaadt en hoont nooit proeven; hard
zal harder worden en blind wordt blinder zodat
hij verder strompelt en nog dieper valt;
Slechts zulken sluit ik uit van mij genade.
Maar nog is alles niet gedaan; De Mens,
ongehoorzaam, verbreekt zijn trouw en zondigt
tegen het hoogste hemelgezag; zich voordoend
als een god verliest hij alles; Zo houdt
hij niets meer over om voor 't verraad te boeten
dan dat hij samen met zijn nageslacht
sacraal vernietigd wordt en sterven moet.
Hij sterft of rechtvaardigheid, tenzij
een ander bereid is deze strenge vergelding
te ondergaan: de dood voor de dood.
Zeg hemelmachten, waar is zulke liefde?
Wie hier wil sterfelijk zijn, om d' onrechtvaardige
mens als rechtvaardige te verlossen
van doodzonde? Is hier zoveel barmhartigheid?

Het ganse hemelkoor bleef echter stom:
geen beschermer of middelaar verscheen
ter wille van de mens, nog minder een
die met zijn eigen hoofd de dodelijke straf
als losgeld voor de misdaad wilde betalen.
Zonder verlossing zou de hele mensheid
verloren zijn, ter dood en hel veroordeeld
door Zijn strenge doem, als niet de Zoon
van God, in wie Zijn volle liefde gloort,
zijn dierbare voorspraak had hervat.

Vader, uw woord waarborgt de mens genade,
en zou Genade geen middel vinden, zij
die als de snelste uwer gevleugelde boden
haar weg vindt naar uw schepselen, en hen
bezoekt, onaangekondigd, ongesmeekt
en ongezocht? Gelukkig voor de mens
die zich in zonde en dood verliest en zo
niet meer in staat is tot boetedoening of offer;
In zonde verloren heeft hij niets te bieden.
Zie mij dan aan: mij voor hem, ik bied
een leven voor een leven; noem mij Mens;
laat uw wraak mij treffen; voor hem verlaat ik
uw boezem en doe als hoogste in glorie na u
vrijwillig afstand van alles om blij te sterven
voor hem; laat Dood op mij zijn woede koelen.
Ik zal niet lang verslagen liggen onder
zijn sombere macht. Een eeuwig leven schonk
U mij; Ik leef door U; Ook al zwicht ik
nu voor de dood en ben ik hem verschuldigd
al wat in kan mij sterven; Toch: eenmaal
die schuld betaald, laat u me niet ten prooi
aan hem in dat afschuwelijk graf, noch duldt
U dat hij eeuwig mijn zuivere ziel bederft.
Maar 'k zal het graf ontstijgen, mijn overwinnaar
onderwerpen, zich op zijn buit beroemend;
Dood zijn doodswond geven zodat hij roemloos
buigt, van zijn fatale steek ontdaan;
En ik zal in triomf door 't ruime zwerk
tegen haar wil de hel in ketens voeren,
haar duistere macht voorgoed bedwongen. En U,
U zal vanuit de hemel glimlachend toezien
terwijl ik door U mijn vijanden verpletter;
De dood als laatste, wiens kreng zijn graf verzadigt.
Dan zal ik, met mijn leger van verlosten,
na lange tijd opnieuw de hemel betreden,
Vader, om uw gezicht te zien, ongetekend
door een wolk van toorn, nu vrede en
verzoening verzekerd is: Gramschap wijkt
van dan af aan voor uw blije wezen.

Hier zweeg hij, maar zijn zacht gelaat sprak stil
over onsterfelijke liefde voor
de sterfelijke mens; slechts overstraald
door respect en liefde voor zijn vader;
Tot het hoogste offer blijmoedig bereid,
verbeidde hij zijn Vaders wil. Bewonderend
vroeg heel de hemel zich af wat dit betekende
en wat er zou volgen; Dra zei de Almachtige:

O jij, die als enige in hemel en op aard
mijn toorn van de mens afwendt en zijn
rust herstelt, Jij, mijn enig welbehagen!
Hoe goed weet jij hoezeer 'k mijn werk liefheb,
niet in het minst de Mens, mijn laatste schepping.
Jou aan mijn boezem en rechterhand ontzeggen
is jou verliezen, maar redt een heel geslacht.
Voeg daarom hun aard bij die van jou,
hun enige verlosser, en wees een mens
tussen de mensen op aarde, gemaakt tot vlees
uit maagdelijk zaad wanneer het tijd zal zijn[19]
door wonderlijke geboorte; Wees de leider
van heel de mensheid in Adams plaats, hoewel
als Adams zoon. Zoals zij in hem sterven,[20]
worden velen als uit een tweede wortel
in jou hersteld. Zonder jou niet één.[21]
Zijn zonde maakt ook al zijn zonen schuldig;
Jouw deugd, hun toegedicht, verlost eenieder
die al zijn daden, goed of slecht, verloochent;
In jou verplant zal hij verder leven
en van jou nieuw leven tot zich nemen.
Zo voldoet de Mens met recht wat d' andere
schuldig is; hij wordt berecht en offert
zijn leven voor 't leven van zijn nageslacht.
Hemelse liefde zal helse haat overtreffen,
sterven en stervend verrijzen om terug te winnen
wat helse haat zo licht vernietigde,
en blijft vernietigen in hen die weigeren
de aangeboden genade te ontvangen.
Noch zal je, dalend om het menselijk wezen
te omhelzen je eigen aard verlagen;
Omdat je, ofschoon getroond in 't hoogste heil,
gelijk aan God, genietend van wat Hij schiep,
dit alles verliet om die verdorven wereld
te redden, en je de zoon van God meer door
verdienste bent dan door geboorterecht.[22]
Waardig bevonden ben jij door je goedheid,
veel meer dan door verworven macht of grootheid,
omdat jouw liefde rijker vloeit dan glorie;
Daarom zal jouw vernedering jou als mens
verheffen tot deze troon; Hier, belichaamd,
zal je zitten en heersen als God en Mens,
zowel de zoon van God als mensenzoon,
Gezalfd als koning over alles: Alle macht
verleen ik jou: heers voor eeuwig, als opperste
regeerder uit kracht van verdienste over
tronen, vorstendommen en alle machten;
Iedereen zal ik dwingen, in hemel, op aarde
of onder in de hel, voor jou te knielen.
Als jij, door goddelijke schittering omringd,
in 't hemelruim verschijnen zal en aartsengelen
uitzendt die de dag des oordeels verkondigen,
dan spoeden zich uit alle windstreken
zowel de levenden als de opgeroepen doden
uit lang vervlogen tijden naar jouw tribunaal,
uit slaap gewekt door het bazuingeschal.
Dan zul je in een kring van heiligen oordelen
over alle slechte mensen en engelen;
Onder jouw vonnis zinken zij; En eens
de hel gevuld, gaat zij voor eeuwig dicht.
Intussen brandt de wereld; voor de rechtvaardigen
rijst uit de as een nieuwe hemel en aarde;
Na al hun leed wachten hen gouden dagen,
met gouden vruchten van hun daden overladen;
Dan feesten vreugde, vrede en het ware
en leg jij je gouden scepter neer:
overbodig nu God in allen woont.
Maar Gij allen, Goden, aanbid degene
die om dit alles te bereiken sterft;
Aanbid de Zoon, en acht hem mijn gelijke.

Nauwelijks zweeg de Almachtige of heel
de menigte van engelen schreeuwde luid
en zoet als uit talloze gelukzalige stemmen
zijn vreugde uit. De hemel galmde
van jubelzang en luide hosanna's vulden
de eeuwige oorden: Eerbiedig buigend naar hun
beider tronen wierpen zij vervolgens
in plechtige aanbidding hun met amarant
en goud doorweven kronen op de grond;
Amarant, onsterfelijke bloem[23]
die ooit in 't Paradijs begon te bloeien
naast de levensboom, maar na de zondeval
opnieuw verplaatst werd naar haar hemelse oorsprong,
waar nu haar bloesem de levensbron beschaduwt;
Vandaar vloeit de heilstroom door de hemel,
Elysese bloemen doordrenkend met amber[24]
waardoor ze niet verwelken; Uitverkoren
geesten binden er hun straalomkranste
lokken mee. Nu blonk het licht plaveisel,
bestrooid met bloemenslingers, als een zee
van jaspis, gekleurd door rode hemelrozen.
Dan, weer gekroond, namen zij gouden harpen,
altijd gestemd, die glinsterden aan hun zijde
als pijlkokers; En met lieflijk voorspel
in mooie samenklank, begonnen zij
hun heilig lied tot ieders hoge vervoering;
Geen stem ontbrak, en elk had haar deel
der melodie in hemelse harmonie.

Van U, Vader, zongen ze eerst, Almachtig,
onveranderlijk, onsterfelijk en oneindig;
Eeuwig Koning, Schepper van alles wat is,
Bron van licht, zelf onzichtbaar te midden
van de schittering Zijner ongenaakbare
troon; Dan slechts bent U te zien wanneer
U de felheid van uw straling tempert
met een wolk als lichtend tabernakel
om U heen; Ook uw verhulde kleed
verblindt de hemel nog: de vlammendste engel
bedekt naast U zijn ogen met zijn vleugels.
Toen zongen ze van u, de eersteling
van heel de schepping, goddelijke spiegeling
in wiens opvallend gelaat, zonder sluier,
de Almachtige Vader zichtbaar doorschijnt;
Hij, die geen schepsel kan aanschouwen,
heeft in u Zijn Heerlijkheid gedrukt:
Zijn wijde geest woont eveneens in u.
Door u schiep Hij de hemel en de engelen,
en sloeg de opstand neer van de heerszuchtigen.
U spaarde die dag uw vaders donder niet,
noch ontzag u van uw felle strijdwagen
de vurige wielen die de hemel schokten
toen u over de nekken der uiteengeslagen
vijandige engelen reed. Terug van het strijdveld
werd slechts u op luid gejuich onthaald,
die als Zoon van uw Almachtige vader
Zijn wraak aan Zijn vijanden heeft bezorgd.
Niet aan de Mens, die door hun slechtheid viel;
Vader der genade, streng, maar meer
geneigd tot meelij, besloot U hem te sparen:
Pas hoorde Uw lieve en enige zoon uw voornemen
om de broze mens niet te verdoemen,
omdat U meer geneigd tot meelij bent,
of hij wilde Uw toorn stillen, voorgoed,
en de strijd die in Uw gelaat woedt
tussen meelij en recht: Hij, ongeacht
zijn zaligheid als tweede naast God, zou sterven
voor de zonde van de mens. Goddelijk,
enig en zonder weerga was zulke liefde!
Heil, Gods Zoon, Verlosser van de Mens!
Uw naam zal in mijn liederen weerklinken
om voortaan uw lof en die van uw vader
trouw te zingen tot in de eeuwigheid.
Zo brachten ze in de hemel, boven de sfeer
der sterren, blije uren door met hymnen.

Terwijl bewandelt Satan de duistere vaste
bol van dit heelal, wiens eerste boog
de lichtende binnensferen afsluit van Chaos[25]
en de dreiging van d' oude Duisternis;
Voordien geleek het hem een verre bol,
nu lijkt het een grenzeloos vasteland,
duister, bar en woest blootgesteld
aan de sterrenloze kille nacht
en de dreiging van Chaos' gure storm,
behalve aan de zijde die van de verre
hemelmuur wat licht opvangt en daar
met haar schijnsel de luide stormlucht luwt.
Hier liep de duivel in het weidse veld.
zoals een gier, gekweekt op de Imaüs,[26]
(wiens besneeuwde top het land begrenst
van zwervende Tataren) die zijn gebied,
schaars aan prooi, verlaat en op heuvels
lammeren en pasgeboren geitjes verscheurt;
Of vliegt naar Ganges' en Hydaspes' bronnen,[27]
maar neerstrijkt op Sericana's dorre vlakten,[28]
waar Chinese bamboewagens rijden,
die voortgedreven worden door wind en zeil.
Zo ging hij de winderige landzee op en neer,
belust op prooi, eenzaam: geen ander schepsel,
levend of onbezield, was daar te vinden;
Nog niet te vinden: want spoedig zou een menigte
dwaze dingen als vluchtige damp van al
wat ijdel is vanaf de aarde hierheen
vliegen wanneer zonde het werk der mensen
met hoogmoed had vervuld. IJdelheid,
en de dwaze hoop op eer voor ieder
die zijn naam en faam op ijdele dingen
bouwt, geluk zoekt in dit of ander leven;
Al wie op aarde zijn beloning wil,
als vrucht van blind en ijverig bijgeloof,
niets anders zoekend dan de lof der mensen,
krijgt hier zijn loon, zo leeg als eigen daden.
Al 't onvoltooide werk van de natuur,
te vroeg geboren, monsterlijk of slecht,
eens vergaan op aarde, vliedt hierheen
om doelloos te dwalen tot d' eindvernietiging;
Niet op de nabije maan, dat is slechts waan:
haar zilveren velden zijn de woonst van levend
verheven heiligen of wezens die[29]
het midden houden tussen mens en engel.
Hier, echter, kwamen de eerste bewoners
uit d' oude wereld: reuzen, verkeerd gekweekt[30]
maar om hun ijdele heldendaden befaamd;
Vervolgens de bouwers van Babel op de vlakte
van Sinear, en andere Babelbouwers
met even grootse plannen maar zonder geld.
Anderen kwamen hier als eenzaat: de een
(Empedocles, zich god wanend) sprong dwaas[31]
in Etna's vuur; en Cleombrotus in zee,[32]
smachtend naar 't genot van Plato's elysium;
Een horde embryo's, narren, kluizenaars
en broeders, wit, zwart en grijs, volgde[33]
hen met al hun waardeloos gekakel.
Hier zwerven pelgrims die hem, die in de hemel
leeft, in Golgotha zochten als dode;[34]
Ook zij, die op hun sterfbed snel het kleed
aantrekken van Dominicus of Franciscus
om zo vermomd het paradijs te winnen.
Voorbij de zeven planeten en vaste sterren
gaan zij, waar Libra in de kristallijnen[35]
sfeer trilling en Eerste Beweger bepaalt;[36]
Petrus aan zijn hemelpoortje schijnt hen[37]
op te wachten met sleutels in de hand,
Wanneer zij net de hemeltrap betreden,
blaast echter onverwachts een wervelwind
hen door de grillige lucht uit elke richting
tienduizend mijl uit koers. Daar zag je kappen,
keuvels en pijen, samen met hun dragers
als rillende vodden verscheurd; relieken, parels,
paternosters, aflaten, absoluties
en papenbullen als speeltuig van de wind.
Ver achter deze wereld werden allen
in 't voorgeborchte geworpen, sindsdien
het Paradijs der Zotten genoemd, toen nog[38]
weinig bekend, onbevolkt en onbetreden.
Door deze donkere wereld trok de duivel,
tot hij na lange omzwerving zijn schreden haastig
richtte naar een straal ochtendlicht;
In de verte gloorde de hemelmuur
waartegen een schitterend gebouw oprees,
zijn treden leidend naar een statelijke
poort, zo mogelijk nog koninklijker,
met een fronton van diamant en goud,
en rijkelijk ornament van glinsterende
oosterse juwelen. Een poort zo stralend
had zijn gelijke niet op aarde, noch als
ontwerp, noch als de beste tekening.
De trap was als de ladder waarop Jakob[39]
stralende engelen op en neer zag gaan,
toen hij de wraak van Esau wilde ontvluchten
naar Padan-Aram in het land van Luz:[40]
's Nachts, in open lucht, uit een droom
ontwaakt, riep hij: 'Dit is de Hemelpoort!'
In elke trede zat mysterie: de trap[41]
bleef soms niet staan, ten hemel opgetrokken,
uit 't zicht, met onderaan een heldere zee
van vloeibaar parelmoer of jaspis waarover
ieder zeilde die van de aarde kwam,[42]
door engelen gedragen, of over het meer
in een wagen getrokken door vurige rossen.
De trap hing neer, als om Satan te tarten
tot de klim, of het verdriet om zijn
verstoting uit de hemel te vergroten.
Daaronder en ertegenover opende
zich een weg die naar de aarde leidde
en haar zegenrijke paradijs:
Een brede doorgang, ontzaglijk breder dan
die over Sions berg en, hoewel[43]
ook breed, die boven het Beloofde Land
dat God zo dierbaar was en waarover
op Zijn bevel de engelen heen en weer
de blijde stammen bezochten, Zijn oog terwijl
alles overschouwend vanaf Paneas[44]
(de bronnen van de Jordaan) tot aan Berseba[45]
waar 't Heilig Land grenst aan Egypte en
d' Arabische kust; De toegang was zo wijd
als een door duisternis begrensde oceaan.
Vanop de laagste gouden trede der ladder
die naar de hemel reikte, keek Satan verwonderd
neer op 't schouwspel van de wereld die zich
plots aan hem vertoonde. Als een spion
die uren dwaalt langs hachelijke wegen
in het duister, en pas bij 't vrolijk klaren
van de dageraad de hoge heuvelrug
ontwaart van waar het zicht van een vreemd land,
tot dan toe onbekend, belofte brengt;
Of mogelijk een beroemde metropool
met glanzend versierde torenspitsen, verguld
door de stralen van de ochtendzon;
Versteld door dit toneel stond de Boze,
hoewel hij reeds de hemel had gezien,
en felle afgunst kreeg hem in zijn greep.
Vanop zijn plaats, boven de draaiende troonhemel
van de verlengde schaduw van de nacht,
ziet hij in 't rond: vanaf Libra's oostelijk
punt tot aan de wollige sterrennevel
die Andromeda draagt – ver over d' Atlantische
zeeën en de horizon voorbij;
Hij meet de breedte van d'een naar d'andere pool
en duikt dan zonder aarzeling de eerste
kring der wereld in; Zijdelings tollend
vliegt hij door zuivere marmeren lucht tussen
ontelbaar sterrengeflonker: verre sterren,
die van dichtbij nieuwe werelden bleken.;
Andere werelden, of eerder eilanden,
gelukkig als Hesperia's vermaarde tuin,[46]
met zalig veld, bos en bloemrijk dal,
Driemaal gelukkig, maar wie daar gelukkig woonde,
zocht hij niet uit: Boven dit alles lokte
de gouden Zon, die hem een hemel leek,
zijn blik; daarheen wendde hij zijn koers
doorheen het kalme firmament (opwaarts,
neerwaarts, recht of schuin was moeilijk te zeggen,[47]
noch welke lengtegraad) naar waar de heldere
grootse lichtbron als een vorstenoog scheen,
met de mindere sterren eerbiedig op afstand
hun zwakker licht verspreidend; Hun sterrendans
bewogen door een vaste maat die dagen,
maanden, jaren meet, richten zij zich
naar haar immer stralende lamp, of buigen
door haar magnetische straal die 't universum
zachtjes warmt, en alles diep doordringt
met haar onzichtbaar zachte invloed, en deugd
tot in de meest verborgen diepten brengt;
Zo wonderbaarlijk stralend stond zij daar.
Daar landt uiteindelijk de aartsvijand,
op een plek niet groter dan een stip,
nooit waar te nemen door een astronoom.[48]
De duivel zag een oord dat onbeschrijflijk
stralender was dan aards metaal of steen;
heel verschillend, maar steeds van licht bezield,
als ijzer dat men gloeiend maakt in 't vuur;
Metaal leek deels van goud en deels van zilver;
Een edelsteen was meestal chrysoliet,[49]
robijn ofwel topaas van het twaalftal[50]
dat uit Aarons borstplaat blonk; Daarnaast
een steen, veeleer verbeeld dan echt gezien,
zoals de filosofen zo lang vergeefs
hebben gezocht naar de Steen der Wijzen
(hoewel hun Kunst kwik - de vluchtige Hermes -[51]
vermocht te binden en uit zee Proteus
ontbonden opriep en zijn vele gedaanten
tot vorm distilleerden in hun alambiek.
Geen wonder dat hier velden en contreien
zuivere geest uitademen, met rivieren
van drinkbaar goud, als d' alchemie der zon,
zo ver van ons geplaatst, met elke straal
in aardevocht gedrenkt hier in het donker,
zo veel kostbaar mooie dingen maakt,
zeldzaam en met luisterrijke kleuren.
Hier vond zijn duivelsblik, door niets verblind,
veel nieuwe stof: zijn oog beval hij ver
en wijd te zien maar vond geen hindernis
of schaduw; slechts zonneschijn (zoals haar stralen
's middags loodrecht op de evenaar vallen,
zo gingen zij nu lijnrecht op zonder
dat een voorwerp schaduw gaf); Zo helder
was de lucht dat ze zijn blik scherpte
voor verafgelegen dingen: Weldra
zag hij daardoor de stralende engel staan,
(dezelfde bemerkte Johannes in de zon):
Hij zag zijn rug, maar 't hield zijn licht niet tegen;
Een gouden tiara van zonnestralen omgaf
zijn hoofd; in glans gelijk vielen zijn lokken
over zijn schouders, bevederd met zwaaiende vleugels;
Hij leek bezwaard met een immense taak,
of misschien in diepe gedachten verzonken.
Zijn onzuivere geest verblijdde zich
met de hoop dat dit de gids was die zijn
dwalende vlucht zou leiden naar het paradijs,
zijn reisdoel en 't begin van al ons lijden.
Maar eerst behoefde hij een andere vorm,
om geen gevaar of uitstel te moeten vrezen:
Nu verschijnt hij als een jonge cherub,[52]
niet van de eerste rang, maar niettemin
straalt zijn gelaat van hemelse jeugd, en gratie
spreidt zich in al zijn leden; kunstig geveinsd:
Zijn golvend haar onder een diadeem
speels krullend over iedere wang;
zijn vleugelpaar met kleur en goud besprenkeld;
zijn kleed ingekort voor groter vaart,
zijn statige tred met zilveren staf gesteund.
Hij naderde niet ongemerkt: nog voor
hij dichter kwam, keerde de engel zich om
met stralend gelaat, gewaarschuwd door zijn oor,
en Satan aanschouwde Uriël, een van de zeven[53]
nabij Gods troon, steeds klaar voor Zijn bevel,
Zijn ogen op aarde en in de hemelen,
Zijn kwieke boodschappers door vocht en droogte,
over zee en over land; Hem
klampte Satan aan en sprak aldus:

Vorst Uriël, een der zeven geesten[54]
nabij Gods troon, U die in glorie straalt
en steeds de eerste waart om Zijn wil
door heel de hemel te verkondigen,
Daar waar Zijn zonen u als gezant verwachten;
Waarschijnlijk bent u hier op Gods bevel,
waardig bevonden om zijn nieuwe schepping
vaak te bezoeken als Zijn oog. Nieuwsgierig
naar Zijn werken en vooral de Mens,
Zijn hoogste vreugde en gunsteling (voor hem
schiep Hij deze wonderlijke werken)
verliet ik het koor der cherubijnen om hier
alleen rond te dwalen. Stralendste
der serafijnen, zeg me in welke van deze
werelden de Mens zijn vaste woonst
gevonden heeft, of anders vrijelijk rondzwerft,
zeg welke heldere wereld hij heeft verkozen,
zodat ik hem bespieden kan, of openlijk
bewonderen: hem, die de Schepper
al deze werelden schonk en verrijkte
met zovele gaven opdat wij
(zoals het hoort) in hem en alle dingen
de Maker van dit alles zouden prijzen;
Hij, die rechtens de rebellen verdreef
naar de diepste hel en, ter herstel
van dat verlies, in al Zijn Wijsheid 't geslacht
der mensen schiep om Hem beter te dienen.

Zo sprak de valse veinzer ongemerkt;
want mens noch engel doorziet hypocrisie,
het enige kwaad dat zich onzichtbaar spreidt,
(behalve voor God die immers alles ziet)
Hij laat het toe in hemel en hel dat vaak,
zelfs als de wijsheid waakt, achterdocht slaapt
aan wijsheids poort en 't werk overlaat
aan lichtgelovigheid; Zo ziet goedheid
geen kwaad waar het afwezig lijkt te zijn.
Dit bedrog viel Uriël te beurt,
de zonregent en scherpste hemelgeest,
die nu in zijn rechtschapenheid de valsaard
op deze manier verkoos te antwoorden:

Schone engel, uw lust Gods werk te kennen
en Hem daardoor te eren, is geen exces
dat blaam verdient, maar eerder lof: Des
te meer wanneer ze lijkt op overdaad
die u zo eenzaam hierheen heeft geleid
vanuit uw hemelwoonst om met uw eigen
ogen dat te zien waar anderen
genoegen nemen met wat ze horen zeggen:
Gewis, al Gods werk is wonderbaarlijk,
een genoegen om te kennen en waardevol
om er met plezier aan terug te denken;
Maar welke geest, door Hem geschapen, begrijpt
hun aantal of de eindeloze wijsheid
die hen voortbracht en hun ontstaan verborg?
Ik was getuige hoe Hij met Zijn Woord
uit vormloze massa de wereld maakte:
Chaos gehoorzaamde Hem, woest oproer
bedaarde, oneindigheid begrensde Hij;
Zijn tweede woord riep licht uit duisternis[55]
en orde werd uit wanorde geboren;
Elk hoofdelement — aarde, water,
lucht en vuur —snelde naar zijn plaats,
terwijl ether, de hemelse kwintessens,
opwaarts vloog, door vele vormen bezield
die sferisch tollend sterren werden, ontelbaar
zoals u ziet, met elk hun eigen plaats
toegewezen en elk een eigen baan;
de rest der sterren omwalt dit universum.
Kijk daar beneden naar die bol, één zijde
schijnt met licht, weerkaatst, van hier geleend;
Dat is de aarde, de woning van de Mens;
dat licht zijn dag, die anders voor de nacht
zou wijken zoals nu op 't ander halfrond,
als de nabije Maan (zo heet die mooie
ster ertegenover) niet tijdig zou helpen
op haar maandelijkse loop langs
de hemel afnemend, en weer toenemend
't geleende licht van haar drievoudig gezicht[56]
ledigt en weer uitstort op de aarde,
en met haar bleke aanschijn de nacht verdrijft.
De plek waar ik naar wijs is 't Paradijs,
Adams verblijf in een beschaduwd lustprieel.
U vindt nu zelf uw weg, ik ga naar elders.
Hij keerde zich om en Satan maakte een buiging
voor de verheven engel die ieder eer
en respect verschuldigd is. In steile
vlucht wentelde hij vanaf de zonnebaan
naar de aarde daaronder, vol goede hoop,
en rustte pas boven op Niphates.

PARADISE LOST

John Milton (1674)

BOOK III

Hail, holy Light, offspring of Heaven firstborn,
Or of the Eternal coeternal beam:
May I express thee unblam'd? since God is light,
And never but in unapproached light
Dwelt from eternity, dwelt then in thee
Bright effluence of bright essence increate.
Or hear'st thou rather pure ethereal stream,
Whose fountain who shall tell? before the sun,
Before the Heavens thou wert, and at the voice
Of God, as with a mantle, didst invest
10 The rising world of waters dark and deep,
Won from the void and formless infinite.
Thee I re-visit now with bolder wing,
Escap'd the Stygian pool, though long detain'd
In that obscure sojourn, while in my flight
Through utter and through middle darkness borne,
With other notes than to the Orphean lyre
I sung of Chaos and eternal Night;
Taught by the heavenly Muse to venture down
The dark descent, and up to re-ascend,
20 Though hard and rare: Thee I revisit safe,
And feel thy sovran vital lamp; but thou
Revisit'st not these eyes, that roll in vain
To find thy piercing ray, and find no dawn;
So thick a drop serene hath quench'd their orbs,
Or dim suffusion veil'd. Yet not the more
Cease I to wander, where the Muses haunt,
Clear spring, or shady grove, or sunny hill,
Smit with the love of sacred song; but chief
Thee, Sion, and the flowery brooks beneath,
30 That wash thy hallow'd feet, and warbling flow,
Nightly I visit: nor sometimes forget
Those other two equal'd with me in Fate,
So were I equal'd with them in renown,
Blind Thamyris, and blind Maeonides,
And Tiresias, and Phineus, prophets old:
Then feed on thoughts, that voluntary move
Harmonious numbers; as the wakeful bird
Sings darkling, and in shadiest covert hid
Tunes her nocturnal note. Thus with the year
40 Seasons return; but not to me returns
Day, or the sweet approach of even or morn,
Or sight of vernal bloom, or summer's rose,
Or flocks, or herds, or human face divine;
But cloud instead, and ever-during dark
Surrounds me, from the cheerful ways of men
Cut off, and for the book of knowledge fair
Presented with a universal blank
Of nature's works to me expung'd and ras'd,
And wisdom at one entrance quite shut out.
50 So much the rather thou, celestial Light,
Shine inward, and the mind through all her powers
Irradiate; there plant eyes, all mist from thence
Purge and disperse, that I may see and tell
Of things invisible to mortal sight.
Now had the Almighty Father from above,
From the pure empyrean where he sits
High thron'd above all highth, bent down his eye
His own works and their works at once to view:
About him all the Sanctities of Heaven
60 Stood thick as stars, and from his sight receiv'd
Beatitude past utterance; on his right
The radiant image of his glory sat,
His only son; on earth he first beheld
Our two first parents, yet the only two
Of mankind in the happy garden plac'd
Reaping immortal fruits of joy and love,
Uninterrupted joy, unrivall'd love,
In blissful solitude; he then survey'd
Hell and the gulf between, and Satan there
70 Coasting the wall of Heaven on this side Night
In the dun air sublime, and ready now
To stoop with wearied wings, and willing feet,
On the bare outside of this world, that seem'd
Firm land imbosom'd, without firmament,
Uncertain which, in ocean or in air.
Him God beholding from his prospect high,
Wherein past, present, future, he beholds,
Thus to his only Son foreseeing spake.

Only begotten Son, seest thou what rage
80 Transports our Adversary? whom no bounds
Prescrib'd no bars of Hell, nor all the chains
Heap'd on him there, nor yet the main abyss
Wide interrupt, can hold; so bent he seems
On desperate revenge, that shall redound
Upon his own rebellious head. And now,
Through all restraint broke loose, he wings his way
Not far off Heaven, in the precincts of light,
Directly towards the new created world,
And man there plac'd, with purpose to assay
90 If him by force he can destroy, or, worse,
By some false guile pervert; and shall pervert;
For man will hearken to his glozing lies,
And easily transgress the sole command,
Sole pledge of his obedience: So will fall
He and his faithless progeny: Whose fault?
Whose but his own? ingrate, he had of me
All he could have; I made him just and right,
Sufficient to have stood, though free to fall.
Such I created all the ethereal Powers
100 And Spirits, both them who stood, and them who fail'd;
Freely they stood who stood, and fell who fell.
Not free, what proof could they have given sincere
Of true allegiance, constant faith or love,
Where only what they needs must do appear'd,
Not what they would? what praise could they receive?
What pleasure I from such obedience paid,
When will and reason (reason also is choice)
Useless and vain, of freedom both despoil'd,
Made passive both, had serv'd necessity,
110 Not me? they therefore, as to right belong'd,
So were created, nor can justly accuse
Their Maker, or their making, or their fate,
As if predestination over-rul'd
Their will dispos'd by absolute decree
Or high foreknowledge they themselves decreed
Their own revolt, not I; if I foreknew,
Foreknowledge had no influence on their fault,
Which had no less proved certain unforeknown.
So without least impulse or shadow of fate,
120 Or aught by me immutably foreseen,
They trespass, authors to themselves in all
Both what they judge, and what they choose; for so
I form'd them free: and free they must remain,
Till they enthrall themselves; I else must change
Their nature, and revoke the high decree
Unchangeable, eternal, which ordain'd
Their freedom: they themselves ordain'd their fall.
The first sort by their own suggestion fell,
Self-tempted, self-deprav'd: Man falls, deceiv'd
130 By the other first: Man therefore shall find grace,
The other none: In mercy and justice both,
Through Heaven and Earth, so shall my glory excel;
But Mercy, first and last, shall brightest shine.

Thus while God spake, ambrosial fragrance fill'd
All Heaven, and in the blessed Spirits elect
Sense of new joy ineffable diffus'd.
Beyond compare the Son of God was seen
Most glorious; in him all his Father shone
Substantially express'd; and in his face
140 Divine compassion visibly appear'd,
Love without end, and without measure grace,
Which uttering, thus he to his Father spake.

O Father, gracious was that word which clos'd
Thy sovran command, that Man should find grace;
For which both Heaven and earth shall high extol
Thy praises, with the innumerable sound
Of hymns and sacred songs, wherewith thy throne
Encompass'd shall resound thee ever blest.
For should Man finally be lost, should Man,
150 Thy creature late so lov'd, thy youngest son,
Fall circumvented thus by fraud, though join'd
With his own folly? that be from thee far,
That far be from thee, Father, who art judge
Of all things made, and judgest only right.
Or shall the Adversary thus obtain
His end, and frustrate thine? shall he fulfill
His malice, and thy goodness bring to nought,
Or proud return, though to his heavier doom,
Yet with revenge accomplish'd, and to Hell
160 Draw after him the whole race of mankind,
By him corrupted? or wilt thou thyself
Abolish thy creation, and unmake
For him, what for thy glory thou hast made?
So should thy goodness and thy greatness both
Be question'd and blasphem'd without defence.

To whom the great Creator thus replied.
O son, in whom my soul hath chief delight,
Son of my bosom, Son who art alone.
My word, my wisdom, and effectual might,
170 All hast thou spoken as my thoughts are, all
As my eternal purpose hath decreed;
Man shall not quite be lost, but sav'd who will;
Yet not of will in him, but grace in me
Freely vouchsaf'd; once more I will renew
His lapsed powers, though forfeit; and enthrall'd
By sin to foul exorbitant desires;
Upheld by me, yet once more he shall stand
On even ground against his mortal foe;
By me upheld, that he may know how frail
180 His fallen condition is, and to me owe
All his deliverance, and to none but me.
Some I have chosen of peculiar grace,
Elect above the rest; so is my will:
The rest shall hear me call, and oft be warn'd
Their sinful state, and to appease betimes
The incensed Deity, while offer'd grace
Invites; for I will clear their senses dark,
What may suffice, and soften stony hearts
To pray, repent, and bring obedience due.
190 To prayer, repentance, and obedience due,
Though but endeavour'd with sincere intent,
Mine ear shall not be slow, mine eye not shut.
And I will place within them as a guide,
My umpire Conscience; whom if they will hear,
Light after light, well us'd, they shall attain,
And to the end, persisting, safe arrive.
This my long sufferance, and my day of grace,
They who neglect and scorn, shall never taste;
But hard be harden'd, blind be blinded more,
200 That they may stumble on, and deeper fall;
And none but such from mercy I exclude.
But yet all is not done; Man disobeying,
Disloyal, breaks his fealty, and sins
Against the high supremacy of Heaven,
Affecting God-head, and, so losing all,
To expiate his treason hath nought left,
But to destruction sacred and devote,
He, with his whole posterity, must die,
Die he or justice must; unless for him
210 Some other able, and as willing, pay
The rigid satisfaction, death for death.
Say, heavenly Powers, where shall we find such love?
Which of you will be mortal, to redeem
Man's mortal crime, and just the unjust to save?
Dwells in all Heaven charity so dear?

And silence was in Heaven: on Man's behalf
He ask'd, but all the heavenly quire stood mute,
Patron or intercessour none appear'd,
Much less that durst upon his own head draw
220 The deadly forfeiture, and ransom set.
And now without redemption all mankind
Must have been lost, adjudg'd to Death and Hell
By doom severe, had not the Son of God,
In whom the fulness dwells of love divine,
His dearest mediation thus renew'd.

Father, thy word is past, Man shall find grace;
And shall grace not find means, that finds her way,
The speediest of thy winged messengers,
To visit all thy creatures, and to all
230 Comes unprevented, unimplor'd, unsought?
Happy for Man, so coming; he her aid
Can never seek, once dead in sins, and lost;
Atonement for himself, or offering meet,
Indebted and undone, hath none to bring;
Behold me then: me for him, life for life
I offer: on me let thine anger fall;
Account me Man; I for his sake will leave
Thy bosom, and this glory next to thee
Freely put off, and for him lastly die
240 Well pleased; on me let Death wreak all his rage.
Under his gloomy power I shall not long
Lie vanquished. Thou hast given me to possess
Life in myself for ever; by thee I live;
Though now to Death I yield, and am his due,
All that of me can die, yet, that debt paid,
thou wilt not leave me in the loathsome grave
His prey, nor suffer my unspotted soul
For ever with corruption there to dwell;
But I shall rise victorious, and subdue
250 My vanquisher, spoiled of his vaunted spoil.
Death his death's wound shall then receive, and stoop
Inglorious, of his mortal sting disarmed;
I through the ample air in triumph high
Shall lead Hell captive maugre Hell, and show
The powers of darkness bound. Thou, at the sight
Pleased, out of Heaven shalt look down and smile,
While, by thee raised, I ruin all my foes;
Death last, and with his carcass glut the grave;
Then, with the multitude of my redeemed,
260 Shall enter Heaven, long absent, and return,
Father, to see thy face, wherein no cloud
Of anger shall remain, but peace assured
And reconcilement: wrath shall be no more
Thenceforth, but in thy presence joy entire.

His words here ended; but his meek aspect
Silent yet spake, and breathed immortal love
To mortal men, above which only shone
Filial obedience: as a sacrifice
Glad to be offered, he attends the will
270 Of his great Father. Admiration seized
All Heaven, what this might mean, and whither tend,
Wondering; but soon th' Almighty thus replied.

O thou in Heaven and Earth the only peace
Found out for mankind under wrath, O thou
My sole complacence! Well thou know'st how dear
To me are all my works; nor Man the least,
Though last created, that for him I spare
Thee from my bosom and right hand, to save,
By losing thee a while, the whole race lost.
280 Thou, therefore, whom thou only canst redeem,
Their nature also to thy nature join;
And be thyself Man among men on Earth,
Made flesh, when time shall be, of virgin seed,
By wondrous birth; be thou in Adam's room
The head of all mankind, though Adam's son.
As in him perish all men, so in thee,
As from a second root, shall be restored
As many as are restored, without thee none.
290 His crime makes guilty all his sons; thy merit,
Imputed, shall absolve them who renounce
Their own both righteous and unrighteous deeds,
And live in thee transplanted, and from thee
Receive new life. So Man, as is most just,
Shall satisfy for Man, be judged and die,
And dying rise, and rising with him raise
His brethren, ransomed with his own dear life.
So heavenly love shall outdo hellish hate,
Giving to death, and dying to redeem,
300 So dearly to redeem what hellish hate
So easily destroyed, and still destroys
In those who, when they may, accept not grace.
Nor shalt thou, by descending to assume
Man's nature, lessen or degrade thine own.
Because thou hast, though throned in highest bliss
Equal to God, and equally enjoying
God-like fruition, quitted all, to save
A world from utter loss, and hast been found
By merit more than birthright Son of God,
310 Found worthiest to be so by being good,
Far more than great or high; because in thee
Love hath abounded more than glory abounds;
Therefore thy humiliation shall exalt
With thee thy manhood also to this throne:
Here shalt thou sit incarnate, here shalt reign
Both God and Man, Son both of God and Man,
Anointed universal King; all power
I give thee; reign for ever, and assume
Thy merits; under thee, as head supreme,
320 Thrones, Princedoms, Powers, Dominions, I reduce:
All knees to thee shall bow, of them that bide
In Heaven, or Earth, or under Earth in Hell.
When thou, attended gloriously from Heaven,
Shalt in the sky appear, and from thee send
The summoning Arch-Angels to proclaim
Thy dread tribunal; forthwith from all winds,
The living, and forthwith the cited dead
Of all past ages, to the general doom
Shall hasten; such a peal shall rouse their sleep.
330 Then, all thy saints assembled, thou shalt judge
Bad Men and Angels; they, arraigned, shall sink
Beneath thy sentence; Hell, her numbers full,
Thenceforth shall be for ever shut. Mean while
The world shall burn, and from her ashes spring
New Heaven and Earth, wherein the just shall dwell,
And, after all their tribulations long,
See golden days, fruitful of golden deeds,
With joy and peace triumphing, and fair truth.
Then thou thy regal scepter shalt lay by,
350 For regal scepter then no more shall need,
God shall be all in all. But, all ye Gods,
Adore him, who to compass all this dies;
Adore the Son, and honour him as me.

No sooner had the Almighty ceased, but all
The multitude of Angels, with a shout
Loud as from numbers without number, sweet
As from blest voices, uttering joy, Heaven rung
With jubilee, and loud Hosannas filled
The eternal regions: Lowly reverent
360 Towards either throne they bow, and to the ground
With solemn adoration down they cast
Their crowns inwove with amarant and gold;
Immortal amarant, a flower which once
In Paradise, fast by the tree of life,
Began to bloom; but soon for man's offence
To Heaven removed, where first it grew, there grows,
And flowers aloft shading the fount of life,
And where the river of bliss through midst of Heaven
Rolls o'er Elysian flowers her amber stream;
360 With these that never fade the Spirits elect
Bind their resplendent locks inwreathed with beams;
Now in loose garlands thick thrown off, the bright
Pavement, that like a sea of jasper shone,
Impurpled with celestial roses smiled.
Then, crowned again, their golden harps they took,
Harps ever tuned, that glittering by their side
Like quivers hung, and with preamble sweet
Of charming symphony they introduce
Their sacred song, and waken raptures high;
370 No voice exempt, no voice but well could join
Melodious part, such concord is in Heaven.

Thee, Father, first they sung Omnipotent,
Immutable, Immortal, Infinite,
Eternal King; the Author of all being,
Fountain of light, thyself invisible
Amidst the glorious brightness where thou sit'st
Throned inaccessible, but when thou shadest
The full blaze of thy beams, and, through a cloud
Drawn round about thee like a radiant shrine,
380 Dark with excessive bright thy skirts appear,
Yet dazzle Heaven, that brightest Seraphim
Approach not, but with both wings veil their eyes.
Thee next they sang of all creation first,
Begotten Son, Divine Similitude,
In whose conspicuous countenance, without cloud
Made visible, the Almighty Father shines,
Whom else no creature can behold; on thee
Impressed the effulgence of his glory abides,
Transfused on thee his ample Spirit rests.
390 He Heaven of Heavens and all the Powers therein
By thee created; and by thee threw down
The aspiring Dominations: Thou that day
Thy Father's dreadful thunder didst not spare,
Nor stop thy flaming chariot-wheels, that shook
Heaven's everlasting frame, while o'er the necks
Thou drovest of warring Angels disarrayed.
Back from pursuit thy Powers with loud acclaim
Thee only extolled, Son of thy Father's might,
To execute fierce vengeance on his foes,
400 Not so on Man: Him through their malice fallen,
Father of mercy and grace, thou didst not doom
So strictly, but much more to pity incline:
No sooner did thy dear and only Son
Perceive thee purposed not to doom frail Man
So strictly, but much more to pity inclined,
He to appease thy wrath, and end the strife
Of mercy and justice in thy face discerned,
Regardless of the bliss wherein he sat
Second to thee, offered himself to die
410 For Man's offence. O unexampled love,
Love no where to be found less than Divine!
Hail, Son of God, Saviour of Men! Thy name
Shall be the copious matter of my song
Henceforth, and never shall my heart thy praise
Forget, nor from thy Father's praise disjoin.
Thus they in Heaven, above the starry sphere,
Their happy hours in joy and hymning spent.

Mean while upon the firm opacous globe
Of this round world, whose first convex divides
420 The luminous inferiour orbs, enclosed
From Chaos, and the inroad of Darkness old,
Satan alighted walks: A globe far off
It seemed, now seems a boundless continent
Dark, waste, and wild, under the frown of Night
Starless exposed, and ever-threatening storms
Of Chaos blustering round, inclement sky;
Save on that side which from the wall of Heaven,
Though distant far, some small reflection gains
Of glimmering air less vexed with tempest loud:
430 Here walked the Fiend at large in spacious field.
As when a vultur on Imaus bred,
Whose snowy ridge the roving Tartar bounds,
Dislodging from a region scarce of prey
To gorge the flesh of lambs or yeanling kids,
On hills where flocks are fed, flies toward the springs
Of Ganges or Hydaspes, Indian streams;
But in his way lights on the barren plains
Of Sericana, where Chineses drive
With sails and wind their cany waggons light:
440 So, on this windy sea of land, the Fiend
Walked up and down alone, bent on his prey;
Alone, for other creature in this place,
Living or lifeless, to be found was none;
None yet, but store hereafter from the earth
Up hither like aereal vapours flew
Of all things transitory and vain, when sin
With vanity had filled the works of men:
Both all things vain, and all who in vain things
Built their fond hopes of glory or lasting fame,
450 Or happiness in this or the other life;
All who have their reward on earth, the fruits
Of painful superstition and blind zeal,
Nought seeking but the praise of men, here find
Fit retribution, empty as their deeds;
All the unaccomplished works of Nature's hand,
Abortive, monstrous, or unkindly mixed,
Dissolved on earth, fleet hither, and in vain,
Till final dissolution, wander here;
Not in the neighbouring moon as some have dreamed;
460 Those argent fields more likely habitants,
Translated Saints, or middle Spirits hold
Betwixt the angelical and human kind.
Hither of ill-joined sons and daughters born
First from the ancient world those giants came
With many a vain exploit, though then renowned:
The builders next of Babel on the plain
Of Sennaar, and still with vain design,
New Babels, had they wherewithal, would build:
Others came single; he, who, to be deemed
470 A God, leaped fondly into Aetna flames,
Empedocles; and he, who, to enjoy
Plato's Elysium, leaped into the sea,
Cleombrotus; and many more too long,
Embryos, and idiots, eremites, and friars
White, black, and gray, with all their trumpery.
Here pilgrims roam, that strayed so far to seek
In Golgotha him dead, who lives in Heaven;
And they, who to be sure of Paradise,
Dying, put on the weeds of Dominick,
480 Or in Franciscan think to pass disguised;
They pass the planets seven, and pass the fixed,
And that crystalling sphere whose balance weighs
The trepidation talked, and that first moved;
And now Saint Peter at Heaven's wicket seems
To wait them with his keys, and now at foot
Of Heaven's ascent they lift their feet, when lo
A violent cross wind from either coast
Blows them transverse, ten thousand leagues awry
Into the devious air: Then might ye see
490 Cowls, hoods, and habits, with their wearers, tost
And fluttered into rags; then reliques, beads,
Indulgences, dispenses, pardons, bulls,
The sport of winds: All these, upwhirled aloft,
Fly o'er the backside of the world far off
Into a Limbo large and broad, since called
The Paradise of Fools, to few unknown
Long after; now unpeopled, and untrod.
All this dark globe the Fiend found as he passed,
And long he wandered, till at last a gleam
500 Of dawning light turned thither-ward in haste
His travelled steps: far distant he descries
Ascending by degrees magnificent
Up to the wall of Heaven a structure high;
At top whereof, but far more rich, appeared
The work as of a kingly palace-gate,
With frontispiece of diamond and gold
Embellished; thick with sparkling orient gems
The portal shone, inimitable on earth
By model, or by shading pencil, drawn.
510 These stairs were such as whereon Jacob saw
Angels ascending and descending, bands
Of guardians bright, when he from Esau fled
To Padan-Aram, in the field of Luz
Dreaming by night under the open sky
And waking cried, This is the gate of Heaven.
Each stair mysteriously was meant, nor stood
There always, but drawn up to Heaven sometimes
Viewless; and underneath a bright sea flowed
Of jasper, or of liquid pearl, whereon
520 Who after came from earth, sailing arrived
Wafted by Angels, or flew o'er the lake
Rapt in a chariot drawn by fiery steeds.
The stairs were then let down, whether to dare
The Fiend by easy ascent, or aggravate
His sad exclusion from the doors of bliss:
Direct against which opened from beneath,
Just o'er the blissful seat of Paradise,
A passage down to the Earth, a passage wide,
Wider by far than that of after-times
530 Over mount Sion, and, though that were large,
Over the Promised Land to God so dear;
By which, to visit oft those happy tribes,
On high behests his angels to and fro
Passed frequent, and his eye with choice regard
From Paneas, the fount of Jordan's flood,
To Beersaba, where the Holy Land
Borders on Egypt and the Arabian shore;
So wide the opening seemed, where bounds were set
To darkness, such as bound the ocean wave.
540 Satan from hence, now on the lower stair,
That scaled by steps of gold to Heaven-gate,
Looks down with wonder at the sudden view
Of all this world at once. As when a scout,
Through dark and desart ways with peril gone
All night, at last by break of cheerful dawn
Obtains the brow of some high-climbing hill,
Which to his eye discovers unaware
The goodly prospect of some foreign land
First seen, or some renowned metropolis
550 With glistering spires and pinnacles adorned,
Which now the rising sun gilds with his beams:
Such wonder seised, though after Heaven seen,
The Spirit malign, but much more envy seised,
At sight of all this world beheld so fair.
Round he surveys (and well might, where he stood
So high above the circling canopy
Of night's extended shade,) from eastern point
Of Libra to the fleecy star that bears
Andromeda far off Atlantick seas
560 Beyond the horizon; then from pole to pole
He views in breadth, and without longer pause
Down right into the world's first region throws
His flight precipitant, and winds with ease
Through the pure marble air his oblique way
Amongst innumerable stars, that shone
Stars distant, but nigh hand seemed other worlds;
Or other worlds they seemed, or happy isles,
Like those Hesperian gardens famed of old,
Fortunate fields, and groves, and flowery vales,
570 Thrice happy isles; but who dwelt happy there
He staid not to inquire: Above them all
The golden sun, in splendour likest Heaven,
Allured his eye; thither his course he bends
Through the calm firmament, (but up or down,
By center, or eccentrick, hard to tell,
Or longitude,) where the great luminary
Aloof the vulgar constellations thick,
That from his lordly eye keep distance due,
Dispenses light from far; they, as they move
580 Their starry dance in numbers that compute
Days, months, and years, towards his all-cheering lamp
Turn swift their various motions, or are turned
By his magnetick beam, that gently warms
The universe, and to each inward part
With gentle penetration, though unseen,
Shoots invisible virtue even to the deep;
So wonderously was set his station bright.
There lands the Fiend, a spot like which perhaps
Astronomer in the sun's lucent orb
590 Through his glazed optick tube yet never saw.
The place he found beyond expression bright,
Compared with aught on earth, metal or stone;
Not all parts like, but all alike informed
With radiant light, as glowing iron with fire;
If metal, part seemed gold, part silver clear;
If stone, carbuncle most or chrysolite,
Ruby or topaz, to the twelve that shone
In Aaron's breast-plate, and a stone besides
Imagined rather oft than elsewhere seen,
600 That stone, or like to that which here below
Philosophers in vain so long have sought,
In vain, though by their powerful art they bind
Volatile Hermes, and call up unbound
In various shapes old Proteus from the sea,
Drained through a limbeck to his native form.
What wonder then if fields and regions here
Breathe forth Elixir pure, and rivers run
Potable gold, when with one virtuous touch
The arch-chemick sun, so far from us remote,
610 Produces, with terrestrial humour mixed,
Here in the dark so many precious things
Of colour glorious, and effect so rare?
Here matter new to gaze the Devil met
Undazzled; far and wide his eye commands;
For sight no obstacle found here, nor shade,
But all sun-shine, as when his beams at noon
Culminate from the equator, as they now
Shot upward still direct, whence no way round
Shadow from body opaque can fall; and the air,
620 No where so clear, sharpened his visual ray
To objects distant far, whereby he soon
Saw within ken a glorious Angel stand,
The same whom John saw also in the sun:
His back was turned, but not his brightness hid;
Of beaming sunny rays a golden tiar
Circled his head, nor less his locks behind
Illustrious on his shoulders fledge with wings
Lay waving round; on some great charge employed
He seemed, or fixed in cogitation deep.
630 Glad was the Spirit impure, as now in hope
To find who might direct his wandering flight
To Paradise, the happy seat of Man,
His journey's end and our beginning woe.
But first he casts to change his proper shape,
Which else might work him danger or delay:
And now a stripling Cherub he appears,
Not of the prime, yet such as in his face
Youth smiled celestial, and to every limb
Suitable grace diffused, so well he feigned:
640 Under a coronet his flowing hair
In curls on either cheek played; wings he wore
Of many a coloured plume, sprinkled with gold;
His habit fit for speed succinct, and held
Before his decent steps a silver wand.
He drew not nigh unheard; the Angel bright,
Ere he drew nigh, his radiant visage turned,
Admonished by his ear, and straight was known
The Arch-Angel Uriel, one of the seven
Who in God's presence, nearest to his throne,
650 Stand ready at command, and are his eyes
That run through all the Heavens, or down to the Earth
Bear his swift errands over moist and dry,
O'er sea and land: him Satan thus accosts.

Uriel, for thou of those seven Spirits that stand
In sight of God's high throne, gloriously bright,
The first art wont his great authentick will
Interpreter through highest Heaven to bring,
Where all his sons thy embassy attend;
And here art likeliest by supreme decree
660 Like honour to obtain, and as his eye
To visit oft this new creation round;
Unspeakable desire to see, and know
All these his wonderous works, but chiefly Man,
His chief delight and favour, him for whom
All these his works so wonderous he ordained,
Hath brought me from the quires of Cherubim
Alone thus wandering. Brightest Seraph, tell
In which of all these shining orbs hath Man
His fixed seat, or fixed seat hath none,
670 But all these shining orbs his choice to dwell;
That I may find him, and with secret gaze
Or open admiration him behold,
On whom the great Creator hath bestowed
Worlds, and on whom hath all these graces poured;
That both in him and all things, as is meet,
The universal Maker we may praise;
Who justly hath driven out his rebel foes
To deepest Hell, and, to repair that loss,
Created this new happy race of Men
680 To serve him better: Wise are all his ways.

So spake the false dissembler unperceived;
For neither Man nor Angel can discern
Hypocrisy, the only evil that walks
Invisible, except to God alone,
By his permissive will, through Heaven and Earth:
And oft, though wisdom wake, suspicion sleeps
At wisdom's gate, and to simplicity
Resigns her charge, while goodness thinks no ill
Where no ill seems: Which now for once beguiled
690 Uriel, though regent of the sun, and held
The sharpest-sighted Spirit of all in Heaven;
Who to the fraudulent impostor foul,
In his uprightness, answer thus returned.

Fair Angel, thy desire, which tends to know
The works of God, thereby to glorify
The great Work-master, leads to no excess
That reaches blame, but rather merits praise
The more it seems excess, that led thee hither
From thy empyreal mansion thus alone,
700 To witness with thine eyes what some perhaps,
Contented with report, hear only in Heaven:
For wonderful indeed are all his works,
Pleasant to know, and worthiest to be all
Had in remembrance always with delight;
But what created mind can comprehend
Their number, or the wisdom infinite
That brought them forth, but hid their causes deep?
I saw when at his word the formless mass,
This world's material mould, came to a heap:
710 Confusion heard his voice, and wild uproar
Stood ruled, stood vast infinitude confined;
Till at his second bidding Darkness fled,
Light shone, and order from disorder sprung:
Swift to their several quarters hasted then
The cumbrous elements, earth, flood, air, fire;
And this ethereal quintessence of Heaven
Flew upward, spirited with various forms,
That rolled orbicular, and turned to stars
Numberless, as thou seest, and how they move;
720 Each had his place appointed, each his course;
The rest in circuit walls this universe.
Look downward on that globe, whose hither side
With light from hence, though but reflected, shines;
That place is Earth, the seat of Man; that light
His day, which else, as the other hemisphere,
Night would invade; but there the neighbouring moon
So call that opposite fair star) her aid
Timely interposes, and her monthly round
Still ending, still renewing, through mid Heaven,
730 With borrowed light her countenance triform
Hence fills and empties to enlighten the Earth,
And in her pale dominion checks the night.
That spot, to which I point, is Paradise,
Adam's abode; those lofty shades, his bower.
Thy way thou canst not miss, me mine requires.
Thus said, he turned; and Satan, bowing low,
As to superiour Spirits is wont in Heaven,
Where honour due and reverence none neglects,
Took leave, and toward the coast of earth beneath,
740 Down from the ecliptick, sped with hoped success,
Throws his steep flight in many an aery wheel;
Nor staid, till on Niphates' top he lights.


>>> Ga verder met BOOK IV


Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III


Noten[bewerken]

Bron voor de explicatieve noten: The John Milton Reading Room: Paradise Lost (onder Creative Commons licentie)

  1. Niphates: een berg in het Taurusgebergte in Armenië.
  2. Nog voor de hemel(en) bestond u: Zie Genesis 1:3, waarin staat dat het licht het eerste geschapen ding was.
  3. Syx/Stygisch: verwijst naar de rivier de Styx, een van de rivieren van de hel, die zich aan de ingang van Hades bevindt. Ook gebruikt als algemene verwijzing naar de onderwereld van de klassieke mythologie.
  4. Chaos: Milton ontleent het concept van chaos, of ongevormde materie, aan Hesiodus' Theogonie en de platoonse filosofie (vooral de Timaeus).
  5. De hemelse Muze: Urania, de muze die geassocieerd wordt met astronomie. Impliceert ook de Heilige Geest.
  6. Ogen...: Milton was volledig blind sinds 1652.
  7. De heilige berg Sion, waarvan wordt beweerd dat Mozes er de leringen van God heeft ontvangen. Milton geeft blijkbaar de voorkeur aan het beeld van de berg boven dat van de gebruikelijke woonplaats van de Muzen, de berg Parnassus.
  8. Thamyris: Homerus vermeldt deze blinde Thraciër in de Ilias 2.591-4.
  9. Tiresias: Een wijsgeer en profeet die voorkomt in Sophocles' Oedipus de Koning en ook in Antigone. Als Thebaanse ziener voorspelde hij de val van Oedipus, en sprak over zijn blindheid als de facilitator van zijn gave van voorspelling.
  10. Phineus: Een blinde Thracische koning die de gave van profetie bezat.
  11. Het Boek der Schepping als Boek der Kennis.
  12. Rechterzijde: De Zoon zit aan de rechterhand van God.
  13. Aan deze kant van de Nacht: aan deze kant (de dagkant) van de Nacht. Aan de andere kant van de Eeuwige Nacht is Chaos.
  14. Deze wereld: hier verwijst het gedicht niet naar de aarde alleen, maar naar de sfeer van het geschapen universum, waarachter de Nacht en de Chaos of een leegte ligt.
  15. Enig gebod: Het bevel van God dat Adam en Eva de boom der kennis onaangeroerd moesten laten. Zie Genesis 2:15-17.
  16. Ambrozijn: Volgens Griekse en Romeinse mythen was ambrozijn het voedsel en de drank van de goden.
  17. Uitverkoren geesten. De "goede" engelen zijn uitverkoren geesten. Milton bedoelt hiermee degenen die niet met Satan in opstand zijn gekomen.
  18. Mijn woord: De Zoon wordt hier gedefinieerd als de uiterlijke uitdrukking in woord, wijsheid en macht van een verder onzichtbare, onuitsprekelijke God.
  19. Maagdelijk zaad: verwijzing naar de Maagd Maria en de incarnatie van de Zoon.
  20. Adams zoon: Miltons poging om twee van Jezus' gebruikelijke titels te verzoenen: Zoon des mensen en Zoon van God.
  21. Zonder jou niet één: Milton geloofde, net als de meeste van zijn tijdgenoten, dat geloof in Jezus Christus de enige verlossing was van eeuwige verdoemenis.
  22. Door verdienste: Milton stelt de Zoon meer voor als Zoon van God op grond van zijn daden dan op grond van zijn verwekking
  23. Amarant: een bloedrode bloem die volgens de legende niet kon verwelken.
  24. Elysium: de klassieke Griekse plaats gereserveerd voor de deugdzame overledenen.
  25. De binnensferen: de hemellichamen beschreven door ons zonnestelsel: zon, planeten, manen volgens een pre-Copernicaans begrip.
  26. Imaus: een berg in de Himalaya.
  27. Hydaspes: de rivier Jhelum in de Punjab. De Ganges is een belangrijke rivier in Noord-India.
  28. Sericana: West-China, en de Gobiwoestijn, waar men in door zeilen aangedreven wagens overheen zou reizen.
  29. Verheven heiligen: Henoch (Genesis 5:24) en Elia (2 Koningen 2: 1-11) werden beiden levend naar de hemel gevoerd.
  30. Verkeerd gekweekt: Genesis 6: 4 verhaalt hoe een ras van reuzen werd geboren uit vrouwen die zich koppelden met de "zonen Gods"
  31. Empedocles: Siciliaanse presocratische filosoof uit de vijfde eeuw v. Chr. In zijn Ars Poetica 464-67 vertelt Horatius hoe Empedocles zich in de vulkaan Etna wierp om te bewijzen dat hij goddelijk was; de vulkaan spuwde zijn blijkbaar sterfelijke overblijfselen uit.
  32. Cleombrotus: een jongeling die zichzelf zou hebben verdronken in een extatische bui na het lezen van Plato's Phaedo
  33. Witte, zwarte en grijze: de witte broeders zijn de karmelieten, de zwarte zijn de dominicanen en de grijze zijn de franciscanen. Miltons minachting voor deze rooms-katholieke ordes brengt hem ertoe ze in dit voorgeborgte der ijdelheden te plaatsen.
  34. Golgotha: de plaats van de kruisiging. Zie Mattheüs 27:33.
  35. Libra: Weegschaal, gesymboliseerd door de balans, bevond zich in een van de 55 kristallijnen bollen van de ptolemeïsche kosmologie. In de ptolemeïsche kosmologie werd gezegd dat deze balans de trepidatie, of onregelmatige beweging, in de bol meet.
  36. Eerste Beweger: primum mobile, of eerste bewegingssfeer, waarvan de beweging van alle andere sferen is afgeleid.
  37. Petrus aan zijn hemelpoortje: deze verkleinvorm is ongetwijfeld door Milton ironisch bedoeld.
  38. Paradijs der Zotten: een gebied zonder grenzen, bedoeld als verblijfplaats voor overtreders.
  39. Jacob: Volgens Genesis 28 bedriegt Jakob zijn oudere broer Ezau door zijn vader Izaäk te misleiden zodat hij hem in de plaats van Ezau zegent. Jakob had toen een droom over engelen die een ladder beklommen, vandaar de term "Jakobs Ladder".
  40. Padan-Aram: Padanaram was het huis van Jakobs oom Laban, die hem een toevluchtsoord bood tegen de woede van Ezau. Zie Genesis 28:5.
  41. In elke trede zat mysterie: Dat wil zeggen de treden op de ladder zijn allegorisch geïnterpreteerd opklimmende 'treden' van zijnstoestanden tussen aarde en hemel.
  42. Zeilde: Van Henoch (Genesis 5: 21-24) en Elia (2 Koningen 2: 11) wordt gezegd dat ze van de aarde naar de hemel zijn gevaren.
  43. Sions berg: de heilige berg Sion, waarvan wordt beweerd dat het de plaats is waar Mozes "overleveringen en onderricht" van God heeft ontvangen. Milton geeft hier blijkbaar de voorkeur aan boven de gebruikelijke woonplaats van de Muzen, de berg Parnassus.
  44. Paneas: ook bekend als de stad Dan, ligt aan de bron van de Jordaan en vormt de noordelijke grens van Kanaän.
  45. Berseba: vormt de zuidelijke grens van Kanaän.
  46. Tuin der Hesperiden: een mythische boomgaard aan de rand van de wereld waar gouden vruchten groeiden, zoals verteld in Ovidius' Metamorfosen
  47. Moeilijk te zeggen, omdat het afhangt van de vraag of men een copernicaanse of een ptolemeïsche beschrijving van het heelal aanhangt.
  48. Astronoom: Galileo ontdekte in 1609 de aanwezigheid van vlekken op de zon met behulp van zijn telescoop.
  49. Chrysoliet: elke groene edelsteen.
  50. Topaas: meestal geel, soms rood halfedelgesteente.
  51. Hermes: Mercurius, een element dat cruciaal is voor veel alchemistische processen. Hermes is ook een Griekse godheid, Mercurius is zijn Romeins equivalent, zoon van Zeus en Maia, en God van de Wetenschap.
  52. Cherub/cherubijn: Satan toont zijn gedaanteverwisselingskunst door in een cherubijn te veranderen om Uriël voor de gek te houden.
  53. Uriël: Letterlijk het "vuur" of "licht" van God. Uriël is een van de vier aartsengelen van de Hebreeuwse traditie. De anderen waren Michaël, Gabriël en Rafaël, en elk van hen kreeg een kwart van de wereld toegewezen in elk van de hoofdrichtingen.
  54. Zeven geesten: Openbaring 8 spreekt van "zeven engelen die voor God in de hemel stonden."
  55. Licht: Genesis 1:2 noemt het licht als de eerste schepping.
  56. Drievoudig gezicht: de drie fasen van de maan.